verbond belangenhartiging vervolgingsslachtoffers

Wordt donateur
26 mei 2019

Openingsrede van Flory Neter tijdens de VBV-bijeenkomst in Casa 400 op 28 april jl.

Inleiding van Flory Neter tijdens VBV-bijeenkomst op 28 april

Ik kan niet zeggen hoe vreemd het voelt om na 26 jaar de voorzittershamer uit handen te geven. Ik ben vergroeid met u allen. U maakt een deel uit van mijn dagelijks leven. Uw verhalen zijn vervlochten met het mijne.
Ik heb dit alle jaren met grote liefde en enthousiasme gedaan. Ik heb veel beleefd. Samen met het bestuur natuurlijk. Ik zou kunnen zeggen dat ik de mens in al zijn/haar facetten heb leren kennen. Van die kennis heb ik wel eens wakker gelegen. Maar het mooie heeft altijd geprevaleerd.

We hebben ons zelf op de kaart gezet. In binnen- en buitenland. Tot onze eigen tevredenheid, maar niet altijd tot tevredenheid van andere organisaties. De MAROR- weg naar de uitbetaling aan individuen was een zware weg omdat er ook binnen het bestuur onenigheid  was over de gekozen weg. Bob Steinmetz en anderen waren bang dat wij ons belachelijk zouden maken ten opzichte van de Joodse gemeenschap maar Gerry Goudeketting en Hans Vos waren het eens met de ingeslagen weg. Gerry zei wel altijd: ik vind de ingeslagen weg geweldig, maar ik kan niet actief meedoen omdat ik er zo ziek van word. Ik wil al die emoties van toen niet opnieuw beleven.
Ik haal dit aan, omdat toen al duidelijk zichtbaar werd dat de tweede generatie m.b.t. de oorlog een andere belevingswereld heeft. Ik was en ben slechts een tussengeval. Voor mij was het een erezaak die wel pijn deed maar die ik kon verwerken zoals je naar verhalen luistert die je je eigen hebt gemaakt. Ik wilde de geschiedeins recht doen.

Wij zijn de weg ingeslagen van onderzoek naar de eventuele problematiek en noden van de tweede generatie. Pratend met mensen lijkt er een lijn te zijn die, net als je denkt dat je het allemaal begrijpt, toch weer even anders is. Ik ga daar niet verder op in omdat daar het middagprogramma voor is bedoeld.
We hebben veel nagedacht en gesproken; er dringen zich brokstukken op van werelden van beleving waar WO2 de kern van is.

Het zal mij worden vergeven dat ik delen gebruik van een verhaal dat ik onlangs hield in Almelo waar Stolpersteinen waren gelegd. Eigenlijk pleit ik als ‘Tussengeval’ voor inlevingsvermogen voor elkaar.
Officieel weet ik sinds kort dat mijn categorie de ‘Baby-survivors’ heet. Wetenschappers bepaalden dat er drie categorieënallen zijn, te weten:
Child-Survivors, Baby-Survivors en de Naoorlogse Generatie.Toch is er in jaren nauwelijks verschil tussen mijzelf en iemand die in 1945 is geboren en tot de tweede generatie behoort. De scheidslijn is dun.

Om tot een juist beeld te komen van de naoorlogse generatie is het noodzakelijk om bij het begin te beginnen. Er is zonder de eerste generatie namelijk geen tweede.
De eerste generatie is beroofd van alles wat de menselijke waardigheid bepaalt. Beroofd van status, beroofd van spullen, beroofd van alle bronnen van inkomsten, beroofd van bedrijven, beroofd van kunst, beroofd van geestelijk erfgoed en uiteindelijk beroofd van het leven.
Mentaal afgebroken zoals in een gruwelijk bootcamp zonder de noodzakelijke handreiking om te herstellen. De overlevenden -herrezen uit de as- moesten met deze herinneringen aan de hel het leven voortzetten.
Ik herinner mij de man die als 16-jarige jongen de gaskamers mocht ontdoen van de lijken. Iedere dag keek hij of hij zijn familie of vrienden in de ontzielde lichamen herkende. Gestoeld op deze ervaringen als puber moest hij na de oorlog doen alsof er niets was gebeurd.
Hij is getrouwd en heeft kinderen gekregen maar de vraagt rijst of een mens zulke ervaringen met zijn kinderen kan delen? De vraag rijst ook of deze man überhaupt het recht had om zijn kinderen deelgenoot te maken van deze gruwelen? Hij wilde en vond ook dat zijn kinderen zijn last niet hoefden te torsen.
Hij was geen makkelijke vader. Veeleisend, gesloten, driftig en bovenal gekwetst tot op het bot. Ontdaan van al zijn eigenwaarde. Hij hield zijn mond. Tot aan zijn dood. Zijn kinderen worstelen allen met het raadsel omtrent het verleden van hun vader.
De een duikt in de geschiedeis van de holocaust en de familie en zoekt minutieus naar gegevens; de ander heeft dit alles hermetisch buitengesloten. Maar de kinderen leven -ondanks de keuzen die zijzelf maakten- met een oorlog waar zij fysiek niet bij aanwezig waren.

Om onze wereld opnieuw van contouren te voorzien, om ons zelf met de wereld te verbinden en om voor ons aller nageslacht de verbindende lijn te herstellen, zullen wij onze eigen betrokkenheid moeten analyseren en loskoppelen van onze ervaringen door voor het eerst opnieuw te kijken naar onszelf en eigen nageslacht.
Misschien ben ik kort door de bocht, en daarvoor bied ik op voorhand mijn excuses aan, maar als wij willen verbinden in plaats van verdelen zullen wij moeten begrijpen dat die ouders die kort na de oorlog begonnen met het starten van een nieuw leven niet zo veel keus hadden.
Wat moesten zij? Hun kinderen deelgenoot maken van hetgeen zij zelf niet eens konden verwoorden? Hoe konden zij met hun kinderen ervaringen delen waarvoor zij zelf geen woorden hadden? Welke keus had de vader die zich begroef in zijn werk en ogenschijnlijk geen aandacht had voor zijn gezin? Wat voor keus had de moeder die zo beschadigd was dat zij haar kinderen alle verjaardagen van haar vermoorde familieleden inprentten zodat zij, nu meer dan 70 jaren na dato, nog steeds de verjaardagen kunnen opdreunen.

Het moge duidelijk zijn dat ervaringen zoals deze, hebben doorgewerkt in de wijze waarop het kind zich heeft ontwikkeld. Vaak echter komen de psychische klachten op latere leeftijd en soms pas als zij zelf kinderen krijgen. Als je uitgaat van een eeuwenlange ketting van genen, zijn wij als naoorlogse generatie bezig om het scheppingsverhaal te herschrijven.
Er was licht en er was duisternis. Het licht was dag en de duisternis nacht. Wij zijn nog steeds bezig om na de duisternis de dag opnieuw uit te vinden. Dat kan niet in een generatie.
Ieder generatie zal niet meer dan een uur op weg naar het licht zijn. Ik ben niet somber en mijn leven is een aaneenschakeling van vreugde, maar ik  heb niet de illusie dat na een generatie de pijn kan zijn verdwenen.
Er was licht en er was duisternis, dat wordt ons geleerd, maar dat die duisternis Auschwitz /Sobibor heette past niet in het menselijk bevattingsvermogen.
Mijn conclusie is dat wij  onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Er valt onze ouders niet te verwijten dat zij steken lieten vallen. Hun ouderschap werd immers gegrondvest op as. Wat was hun referentiekader?
Zij zijn de herrijzende Fenix en hun kinderen de kuikens. We moeten opnieuw leren vliegen. Dat duurt nog wel een paar generaties en ‘De vraag’ is hoe?
Het antwoord ligt niet gelegen in verwijt maar in begrip dat wij allen een onderdeel van hetzelfde pijncentrum zijn. We zijn er nog lang niet. Zij, die zeggen dat er geen naoorlogse generatie met problemen bestaat, begrijpen niets van de evolutie van de mens.
Wij zijn de kinderen van overlevenden; dat is een uiterst gecompliceerde start op weg naar de  werkelijke bevrijding. Zoals een steen in het water kringen maakt die steeds verder van de kern gaan om langzaam te verdwijnen.
Vooralsnog is de naoorlogse generaties niets meer dan een katalysator van de eerste generatie op weg naar de losmaking van het leed. Dit lijkt misschien een zware opgave maar een andere keus hebben we niet, anders krijgt heer Adolf postuum zijn zin.
Ook ik had een moeizame relatie met mijn moeder, maar goh wat heb ik een heimwee naar haar kookkunst en matzeballen. Zou het zo zijn dat haar receptuur en moeizame levenswandel mijn levens-receptuur heeft bepaald? Hoe mooi is dat.

Als ik de hele geschiedenis in een analyse neem welke niet langer duurt dan een lichtflits, zie ik nog steeds mensen worstelen met dit beschamende deel daarvan, dat als een onuitwisbare vlek op de ziel rust. Maar ondanks alles heb ik een enorme bewondering voor de ouders die gestoeld op deze allesverwoestende ervaringen wel een nieuwe generatie heeft doen ontstaan waarvan vrijwel allen een geweldige bijdrage leveren aan onze samenleving.
Het ligt in de bedoeling om het VBV als centrum en als denktank in te zetten. We hebben sinds jaren weer een goede relatie met JMW en hopen dat wij in de toekomst gezamenlijk vorm kunnen geven aan hulpverlening.

Ik houd op om als voorzitter te fungeren maar zal echter wel in het bestuur blijven, meedenken en die dingen voltooien waar ik aan ben begonnen.
Ik heb in tegenstelling tot andere jaren het gesproken jaaroverzicht achterwege gelaten om een nieuw tijdperk te kunnen inluiden. Mochten er echter vragen zijn dan zullen wij die met liefde beantwoorden.
Ik dank Ed voor zijn tomeloze inzet, hulp en liefde. Zonder hem was dit alles niet mogelijk geweest.
Ik ben u dankbaar voor het vertrouwen dat u allen 26 jaar lang in mij stelden.