verbond belangenhartiging vervolgingsslachtoffers

Wordt donateur
10 oktober 2019

NS en het broodje-aap-verhaal; waar of niet waar?

David Barnouw en het broodje-aap-verhaal

Tijdens de VBV-bijeenkomst op 1 september jl. ontstond er een verschil van mening tussen drs. David Barnouw en de redactie van het VBV-nieuwsblad. In de voorjaars-Info werd gepubliceerd dat de NS-treinen op bevel van Londen om economische redenen moesten blijven doorrijden. Volgens Barnouw een ‘broodje-aap-verhaal’ en dat blijkt juist want een dergelijk officieel bericht werd niet gevonden.
Echter, op zoek naar de waarheid werden historische gegevens er nog eens op nageslagen. Quotes werden gevonden in de notulen van de Enquêtecommissie van augustus 1953, een commissie die Gustav Giesberger, oud-directeur van de Nederlandse Spoorwegen, ondervroeg. Giesberger blijkt een genie in het ontwijken van vragen; steeds staan zijn antwoorden los van de vragen.
Met dit onderzoek wordt geprobeerd om een zo objectief mogelijk beeld te geven over deze kwestie. De conclusie is aan u.

Wilhelmina
De bewering dat koningin Wilhelmina in in haar redevoeringen voor Radio Oranje nooit iets zou hebben gezegd over de Jodenvervolging blijkt onjuist. Wel waar is dat zij heeft verzaakt om daadwerkelijk de opdracht te geven om de joden te helpen. Ik heb geen prangende oproep van haar kunnen vinden in de trant van “Waarde Landgenoten, het is uw Christelijke plicht om de Joden te helpen!”
Onderstaande tekst is de papieren neerslag van wat zij in haar radiorede uitsprak op 17 oktober 1942:
“Ik deel van harte in uw verontwaardiging en smart over het lot onzer Joodse landgenoten en met mijn gehele volk voel ik de onmenselijke behandeling, ja het stelselmatig ‘uitroeien’ van deze landgenoten, die eeuwen met ons samen­ woonden in ons gezegend vaderland, als ons persoonlijk aangedaan.”
Uit deze koninklijke boodschap valt op te maken dat het veelvuldig gehanteerde argument dat men in de ballingenregering niet op de hoogte zou zijn van het lot van de joden volstrekt onjuist moet zijn, immers Wilhelmina zelf spreekt in oktober 1942 al over ‘uitroeien’.
Volgens Lou de Jong spelde de koningin alle illegale bladen woord voor woord. Dat bleek, toen de Joodse Engelandvaarder mr. R . A. Levisson die, na uit Westerbork te zijn ontsnapt, via Spanje Engeland wist te bereiken en in de lente van ’44 geheel alleen door haar ontvangen werd. Hij moest haar eerst ‘tot in alle finesses’ vertellen over de Jodenvervol­ging in bezet gebied, waarbij zij, aldus Levisson, ‘diep ontroerd’ was.
“De koningin”, zo vervolgde hij, “vroeg mij tegen het eind van het gesprek of ik bang was dat er na de oorlog antisemitisme in Nederland zou overblijven. Ik antwoordde bevestigend. Daarop ging zij kaarsrecht in haar stoel zitten en zei: “Zolang er een Oranje op de troon zit in Nederland, zal de Joden geen kwaad gedaan worden!”

Antisemitisme
Aangezien ik geen historicus ben maar een eenling op zoek naar de waarheid, komen de woorden van Wilhelmina op mij over als loze woorden van een regering die al direct na de oorlog wederom de oren liet hangen naar de nog steeds bestaande antisemitische tendensen. Ik denk hierbij aan de brief van de minister van Buitenlandse zaken Kleffens aan de minister van Justitie mr. van Angeren. Deze brief uit 1943 betreft een waarschuwing voor het aanstellen van Joden na de oorlog.
Door de lafhartige houding van Christengastheren, zo schrijft hij, ‘en het verraad enz. is het antisemitisme toegenomen. Daarom, zo schrijft Kleffens verder, heeft hij de indruk dat de benoeming van Joden in hogere en officiële regeringsfuncties het vertrouwen in de regering niet zal bevorderen.
U leest het goed. Je verraadt jouw Joodse buren, je steelt hun bezittingen, dan word je antisemiet en dan wordt het politiek opportuun dat Joden beter geen hogere functie meer kunnen uitoefenen. Zie hier het sanctioneren van verderfelijk gedachtengoed uit politiek gewin.

Enquêtecommissie 1953
Terug naar de Enquêtecommissie waar Giesberger in de schijnwerpers staat. Giesberger is een raadselachtige figuur en het wordt mij dan ook niet duidelijk of de man de waarheid spreekt. Wel werd dit verhoor onder ede afgenomen. Een van de speerpunten was om te onderzoeken hoe het contact was geweest tussen de regering en de verzetsbeweging en in hoeverre de regering het verzet heeft gestimuleerd. Sceptisch is de commissie over het verzetsgehalte van spoorwegstaking in september 1944. Het wordt verwoord als: ‘Men kan dat althans als zodanig (als een daad van verzet) zien.’

Giesberger wordt benaderd als oud-directeur van de NS. Hijzelf geeft echter aan Chef van de Dienstregeling te zijn geweest. Hij verkeert in de veronderstelling dat de mensen denken dat het verzet pas begon met de staking in september 1944, maar hij benadrukt dat het verzet eigenlijk al begon op 19 mei 1940 de waarop de directie van de spoorwegen weer eigenaar was van de NS; op die datum werd goedkeuring van de Duitse autoriteiten te Berlijn verkregen om de NS-directie het bedrijf verder onder bepaalde voorwaarden te laten leiden.
Op de vraag van de voorzitter wat deze voorwaarden dan wel inhielden, antwoordt Giesberger dat niet precies te weten maar hij wil dat thuis wel opzoeken. De voorzitter blijft bij zijn vraag en hij wil weten welke voorwaarden er door de Duitsers werden gesteld en welke er door directie werden aanvaard. Giesberger vertelt: “dat viel onder het landoorlogreglement, waarin staat dat , als ik mij niet vergis, dat de spoorwegen door de bezetter worden overgenomen. Wij hadden ons daarbij neer te leggen. Daar viel niet over te praten. Helaas ben ik het boekje met de aanwijzingen kwijt. Wij hadden dat boekje al toen de oorlog uitbrak. Er was geen bekendheid gegeven aan dat boekje, ik was geloof ik de enige die het bezat. Als er mensen om advies kwamen vragen waren de aanwijzingen uit het boekje de leidraad. Ik zeg nou wel dat ik de enige was die het had, maar zeker ben ik daar niet van. Het kan heel goed zijn dat Hupkes (directeur NS) het ook had. Uit veiligheid vertelden we elkaar niet veel. Ik heb wel iets op schrift, geschreven door de heer G, T. te Winckel (blijkt hij zelf te zijn) . Wie dat is doet er niet toe’.

Hoe gaf de regering in ballingschap leiding aan het verzet vraagt de voorzitter van de Enquêtecommissie die alleen geïnteresseerd is of de regering in Londen leiding heeft gegeven aan burgers en ambtenaren in bezet gebied.
Giesberger: ‘Hupkes moet dat maar vertellen, dat was uiteindelijk de man. Ik ben altijd de verbindingsman geweest tussen de NS en de Duitse autoriteiten. Dat leverde veel moeilijkheden op. 4 Jaar lang. Het eerste verzet van de spoorwegen is gepleegd op 21 juni door het herstel van de spoorwegbruggen te belemmeren’.
Ik ben het van plan om een boek uit te geven, maar ik weet niet of het er uiteindelijk van komt. Voorlopig zijn het slechts uitknipsels van trein- en tramwegtijdschriften, ik ben er overigens mee opgehouden. U heeft er geen idee van hoeveel materieel er is beschadigd.”
Op vraag van de voorzitter of het een staking genoemd mag worden alleen als deze is geïndiceerd door de regering in Londen antwoordt Giesberger:
“Tijdens de Februaristaking was er ook een staking in de Rietlanden (rangeerterrein NS Amsterdam). Nou daar hebben we behoorlijk last mee gehad. Ja, er waren mensen van de NS in Amsterdam die daar aan mee wilden doen, maar gelukkig is dat door toedoen van de leiding niet doorgegaan. Gelukkig werd er zo een bloedbad voorkomen. Zo werd voorkomen dat de Duitsers de leiding van ons bedrijf weer overnamen. Er waren immers ook SS’ers onder Duitse spoorwegbeambten en veel NSB’ers. Ook was er nog een 2de staking in april waar door telefonisten een telex was uitgestuurd met het bericht dat het hoofdbureau vanaf 1 uur staakt. Dat werd doorgegeven naar alle stations. Maar deze staking is verraden door foute beambten. Door Hupkes liep dit met een sisser af toen deze een boodschap liet uitgaan waarin werd gesteld dat een ieder die zich voor 5 uur meldde beschouwd zou worden als niet hebbende gestaakt.”

Vragen over de transporten van Joden
Door een van de mensen uit Londen is verklaard dat de indruk was gewekt dat de staking was uitgevaardigd in samenwerking met het hoofdkwartier van de geallieerden. Giesberger ontkent dit ten stelligste en zegt dat er op 10 september, een week voor de staking van september 1944 een bevel tot staking uit Londen was gekomen voor het machinepersoneel. De code was: ‘De kinderen van Versteeg moeten allen onder de wol.’

Giesberger was van mening dat het zo niet kon omdat het een gedeeltelijke staking betrof. De voorzitter van de enquêtecommissie bleef volharden in de vraag of de oproep tot de staking niet vanuit het militair verzet kwam. Giesbergen zegt wel vragen gehad te hebben over arbeids- en jodentransporten.
Hier volgt de kern van het ‘broodje-aap-verhaal’ als Giesberger verklaart: “Ik heb herhaaldelijk aan Londen gevraagd wat wij moeten doen. Zij hebben toen geantwoord: Niets.
Toen er een trein met 1100 joden van Westerbork naar Duitsland werd gestopt door het verzet tussen Zwolle en Raalte hebben zij de joden niet uit de trein gekregen. Ik ben er zelf niet bij geweest.”
Wat een ongeloofwaardige uitspraak. Hier geeft Giesberger ook nog aan dat een eerdere staking niet zou hebben geholpen omdat als zij dat eerder zouden hebben gedaan de Duitsers het beheer weer hadden overgenomen en dan had de directie niets meer te vertellen gehad. Op de vraag waarom niemand tegen de bezetter heeft gezegd doe het zelf maar, vraagt Giesberger zich af wat zij dan nog hadden kunnen doen. Zouden zij dan nog verder op de hoogte zijn geweest van de militaire transporten. Hadden zij dan nog het militaire verzet kunnen steunen?  

Als Londen zou hebben gezegd schei er mee uit dan zouden wij er onmiddellijk mee opgehouden zijn. We hebben vanaf het begin voor de bevrijding gedraaid. De regering had hierop invloed kunnen uitoefenen. Zij hadden het verschil kunnen uitmaken: Jullie draaien niet meer! Maar uiteindelijk is dat draaien een succes geweest al is dan bij Arnhem de boel misgelopen. Dat dit beleid de Joden heeft getroffen betreur ik in hoge mate, maar het betrof ook andere Nederlanders. Er zijn toch ook 1000en Nederlandse werkkrachten weggevoerd waarvan er 1000en niet zijn teruggekeerd. In het algemeen waren de Joden helemaal niet anti vervoer. Zij hebben dat altijd als hun noodlot gevoeld. Dat was van het begin af aan. Wij hebben wel getracht om dit vervoer menselijk te maken hetgeen ons later is verhinderd. Langzamerhand moesten wij ze in goederenwagens vervoeren hetgeen voor die mensen misschien wel beter was, want dan konden zij tenminste nog iets meenemen. Dan waren ze beter af in goederenwagens. Wij hebben ze op ons terrein altijd goed behandeld. Het was niet onze taak om te zeggen wij doen het niet meer. De opdrachten uit Londen waren onvoldoende.”

Conclusie
De notulen gelezen hebbend van deze wonderlijke ondervraging bekruipt mij een vreemd gevoel. Het lijkt erop dat Giesberger zijn geweten opschoont door zijn eigen verantwoordelijkheid af te schuiven naar Londen. Als het waar zou zijn wat Giesberger verklaart dan zouden daar bewijsstukken van moeten zijn.  Dan zou er een telegram moeten liggen van Wilhelmina met de opdracht om te blijven rijden. Zo’n telegram van Wilhelmina zou zeker ergens in de archieven terug te vinden moeten zijn. Uit alles blijkt dat Giesberger een brede interpretatie had van wat werkelijk belangrijk was. Uit alles blijkt dat het zijn streven was om het spoorboekje zo stipt mogelijk te volgen en te laten lopen en dat het beleid van de NS onder de vermeende eigen directie zou blijven. Verder is zijn opmerking over het beheer en dat de NS-leiding bij een staking weer in Duitse handen zou komen niets anders dan een aanname. Het beheer lag sowieso niet in handen van de NS zelf, de bezetter maakte daar de dienst uit. De bezetter verordonneerde de Jodentransporten.
Zoals blijkt uit de radiorede van Wilhelmina moest de directie wel degelijk op de hoogte zijn geweest van het lot van de Joden. De directie was niets anders dan gewillig gereedschap in de handen van Hitler. Verder zijn Giesbergers standpunten over de Jodentransporten wel heel idioot: ’Joden die de trein niet uit wilden, Joden die de transporten altijd als hun lot hadden beschouwd, de goederenwagens die beter waren omdat er dan nog wat meer bagage meekon?’ Natuurlijk is vrijheid van gedachten een groot goed maar wat nu als die vrijheid van gedachten je geest dusdanig versluiert dat je mede verantwoordelijk bent voor de dood van 80.000 mensen?

Ik blijf mij verbazen over Giesberger maar ook over de NS die jarenlang heeft gedaan als zou Giesberger een verzetsman zijn. Deze conclusie vind ik eigenlijk erger dan het ‘Broodje Aap’.