verbond belangenhartiging vervolgingsslachtoffers

Wordt donateur
4 mei 2020 column

Herinneringen aan mijn pleegouders

Mijn pleegouders Nel en Cees

Gezamenlijk herdenken in 2020 heeft een bijzondere lading. Alle herdenkingsbijeenkomsten zijn afgelast. Wij zitten thuis en gezamenlijkheid krijgt een virtuele en mogelijk zelfs een spirituele lading. Rampzalig is dat niet, wij herdenken immers toch iedere dag. Er gaat geen dag voorbij zonder dat er wel op een of andere manier een beeld uit de vroege jeugd voorbij komt.
Die beelden zijn het springlevende bewijs dat herinneringen actief blijven tot het individu het aardse bestaan verlaat. Herinneringen die mede de basis vormen van de mens die je uiteindelijk bent geworden. Alhoewel de wijze waarop je in het leven staat in eigen hand hebt, bepaalt veel van de opgeslagen informatie het handelen en daardoor de kaders waarbinnen je uiteindelijke persoonlijkheid zich manifesteert.
De naoorlogse periode waarin velen van u opgroeiden was vaak meedogenloos. De overheid handelde strak volgens wettelijke formaliteiten; regelgeving niet omwille van de burger maar omwille van staatskas. Ouders waren vaak grillig en onberekenbaar omdat het verdriet om hun verloren familie niet was in te perken. Velen bleven hangen in hun verdriet en vervulden wel hun plichten, maar de nieuwe generatie kon de vermoorde kinderen niet vervangen. Zeg maar, een verdriet dat niet kon en ook niet mocht slijten. Tegenwoordig heeft dat een naam en heet  Prolonged Grief Disorder (PGD), zoiets als ‘verdriet met verlengde speelduur’. Hoe rouw je om het verlies van kinderen, van familie, van omgeving en van je totale leefgemeenschap?
Voor rouw over massamoord moet wel nog een andere naam worden gevonden maar hoe dan ook is ‘Prolonged Grief Disorder’ wel degelijk iets dat mijn leven bepaalde. Ik denk hierbij aan mijn onderduikouders voor wie ik gewoon hun eerste kind was. Ik kwam bij hen in 1942 kort na mijn geboorte. Mijn pleegouders waren twee jonge pas getrouwde mensen van 24 jaar. Via de illegaliteit kregen zij mij op het Centraal Station van Amsterdam aangereikt toen zij op doorreis waren van Utrecht naar Hoorn. Aangekomen in Hoorn waren zij niets anders dan een jong, pas getrouwd stel met een baby.
Voor mij waren zij fantastische ouders. Je kan immers alleen maar een onvoorwaardelijke ouder zijn als je je volledige ziel daarbij inzet. En dat deden zij. Voor hen was mijn aanwezigheid een zegen en daar handelden zij ook naar. Mijn hoofd zit vol met verhaaltjes, liedjes en spelletjes die ik meekreeg uit mijn onderduik. Daar kon de NSB-buurman niets aan afdingen. Die was achterdochtig. Hoe hadden twee mensen met blauwe ogen een baby met niet mis te verstane bruine ogen, vroeg hij aan een van de buren.
Het antwoord was simpel: “Als dit kind iets overkomt weten wij wie de schuldige is. Jij bent de baas over je eigen leven.”
Er is mij nooit iets overkomen. De buurkinderen zeulden mij rond in een kinderwagen en speelden met mij in het voortuintje. De buurman was bang voor zijn eigen hachje en hield verder zijn mond. De bevrijding kwam en een dag later werd mijn zusje geboren. Tot zo ver het idyllische beeld.
Mijn biologische ouders overleefden de oorlog en het onvermijdelijk kwam. Ik werd opgehaald door twee mensen die zeiden dat zij mijn ouders waren. Een aardbeving in mijn liefdevolle bestaan en een trauma voor mijn pleegouders.
Uiteraard was de wens van mijn biologische ouders om mij terug te krijgen volslagen legitiem maar  voor mijn pleegmoeder voor wie het moederschap onvoorwaardelijk was geweest werd dit een diep en onoverkoombaar leed.
Mijn ouders waren te beschadigd om een kind die liefde te geven die het nodig had. Mijn pleegouders waren te beschadigd omdat zij het kind moesten afstaan dat in feite hun eerste  was. Zeer tegen de wens van mijn biologische moeder onderhield ik altijd het contact met mijn pleegouders. Zelfs als ik ze niet mocht zien vertrok ik toch op de fiets van Amsterdam naar Hoorn. Mijn pleegouders kregen na mij nog vier kinderen, maar het gevoel van onvoorwaardelijk ouderschap was verdwenen. En zo kon het zijn dat het pleeggezin dat voor mij ultieme veiligheid betekende, veranderde in een, door de naweeën van de oorlog, min of meer ontwricht gezin. Mijn pleegmoeder verloor alle vanzelfsprekende liefde voor haar omgeving. Zij had immers een kind verloren, maar had het recht niet om te rouwen. Het kind behoorde de biologische ouders toe. Een vreselijk emotioneel dilemma. De strijd tussen ratio en gevoel. Een neerwaartse spiraal waar zij niet meer uitkwam. Ze werd neerslachtig, had problemen met de dagelijkse zaken, was licht geraakt en het was haar stille maar liefdevolle man, die mijn pleegvader was, die het huishouden draaiend hield.

Waarom ik dit voor u opschreef
Nu 75 jaar na dato voel ik de behoefte om die pleegouders te belichten die vol liefde en overgave joodse kinderen in hun hart sloten onder vaak zeer beangstigende omstandigheden.
Wij beoordelen onze ouders en zijn ons uit en te na bewust van hetgeen hen is overkomen. Daar leven wij mee. Maar voor wat veel pleegouders betreft zijn zij en hun kinderen ook het kind van de rekening. Hun situatie is immers een totaal onderschat gevolg van idealen die na de oorlog tot een vreselijke last werden. Zij moesten daarmee in het reine zien te komen. Een zware opgave die niet altijd is gelukt. Gelukkig heeft dit lijden nu een naam.